Gods Gaven, Zijn Schenking van Realiteit, zijn geen afscheidingen van Zichzelf. Hij vervreemdt de Schepping niet van Zich zelf, echter Hij heeft spanningen in de Scheppingen ingesteld, die rond het Paradijs wentelen. De Goddelijke Drieëenheid drukt zich uit via het Paradijs Dat Oneindig is in de Eeuwigheid waarin Alles Onvergankelijk Zich bevindt. Het Paradijs kan als de Grote Blauwdruk van de Gehele Schepping van God Zelf worden gezien.
Elk wezen, dierlijk, menselijk of Goddelijk, onsterfelijk of potentieel onsterfelijk, in Geest, bewustzijn, of energie-materie, al dat wordt door het Paradijs aangetrokken. Ook onze Zon, onze planeet Aarde, elk mens, jij en ik worden aangetrokken en geholpen om daarnaar terug te keren via de Kosmische Wet van Aantrekking en Afstoting. Zwaarte kracht van de planeet Aarde is niets meer dan de uitvoering en de ervaring door de mens van deze Kosmische Wet.
God bemint de mens eerst en verleent de mens het potentieel van Onsterfelijkheid : de Eeuwige Realiteit als Zoon van God. En wanneer de mens God bemint, dan wordt de mens Eeuwig in Actualiteit. En hierin ligt een geheimenis:
“Hoe dichter de mens God nadert door Liefde, des te groter wordt de realiteit – actualiteit – van die mens.“
En de tegenpool :
“Hoe meer de mens zich van God terugtrekt, des te dichter benadert hij de niet-werkelijkheid – het ophouden van zijn bestaan.“
Wanneer de mens door een Heilige Keuze zijn wil wijdt aan het doen van de Wil van de Vader, wanneer de mens God Alles geeft wat Hij heeft, dan maakt God die mens tot meer dan hij is.