Als de mens andere mensen in moeilijkheden helpt, dan ontstaat heel vaak ook bij de helpende mens zelf het dilemma hoe die hulp eigenlijk moet wezen. Helpt deze mens alleen materieel, dan zou deze mens zich het verwijt kunnen maken dat de mens toch eigenlijk ook iets anders nodig heeft en dat materiële hulp niet bepaald menselijk behoeft te zijn. Neem als voorbeeld een zieke, die door middel van injecties of medicijnen beter gemaakt dient te worden. Deze injecties of medicijnen hebben niets te maken met de geaardheid, met het karakter van de arts, echter zullen eenvoudig ook machinaal toegediend kunnen worden. Deze injecties of medicijnen dienen als symptoom bestrijding en lossen de oorzaak niet op.
Aan de andere kant zal deze mens kunnen worden geholpen door een bemoedigend woord, door belangstelling te tonen, door een Gebed. Toch vaak wordt gezegd, dat deze hulp zeer goedkoop is en inderdaad heeft een zieke of een arme er bitter weinig aan als wordt gezegd : “Ik zal voor je bidden” of als deze mens de belangrijkheid van het leven voor ogen wordt gesteld en er op wordt gewezen, dat die gezondheid ook niet alles is en rijkdom helemaal niet. Dan zou deze mens zeker kunnen zeggen : “als ik eerst ook eens gezondheid en rijkdom had, dan zou ik kunnen waarderen en kiezen” en zo stuit het ook velen tegen de borst mensen alleen materieel te helpen, omdat de mens (on)bewust dit als een vernederend iets ondervindt.
Daad in materiële vorm
Desondanks dat de mens innerlijk (on)bewust materiële hulp als een vernedering ervaart, kiest de mens in nood door oorlog of door ziekte of andere crisisachtige situatie, toch vaak voor hulp in de vorm van een materiële oplossing. Doordat de mens innerlijk weet dat dat niet de primaire oplossing is, voelt de mens zich schuldig naar de hulpgevende mens toe en wil daarvoor een verzilvering doen : een tegenprestatie, een betaling of een vergoeding. De gehele maatschappij is gebaseerd op de consumptie van materiële zaken die een begeerte of een behoefte in de mens tijdelijk oplossen omdat de mens het buiten zich zelf deze begeerte of behoefte denkt te hebben. De gehele wetenschap is gericht om de oplossing te vinden in de materiële vorm, behalve de wetenschappers die meer gebruikmaken van de intuïtie of Geestelijke grondslag. Een mens die in disbalans is, ziek is geworden, heeft de keuze om de oplossing te vinden in de materie en gaat de weg van artsen en de wetenschap. Op zich prima, echter een mens heeft zelfhelend vermogen van het lichaam dat de uitdrukking is van de Zelfheid van de mens. Als de mens innerlijk het oplost, zal de disbalans kunnen oplossen en uitdrukken via de materiële grofstoffelijke mens.
Tijdens ernstige crisissen neem voorbeeld de bezettingstijd tijdens een oorlog, waarbij personen werden geholpen met valse papieren, op zichzelf al iets, dat eigenlijk – hoe nodig ook – een onwaarachtigheid inhield, een list om de machthebbers, in deze de bezetters te misleiden. Die hulp met valse papieren kon door allerlei mensen geboden worden. Er waren communisten, die zeer actief valse papieren verschaften. Er waren mensen, die het om geld deden. Er waren ook idealisten, echter steeds bleef het gevoel : “is dit nu de enige hulp die te geven is?” Wie in die moeilijke tijden zogenaamd Geestelijke steun gaf, werd niet lang aangehoord, want met die Geestelijke steun alleen zou de mens onherroepelijk zijn aardse leven verliezen en de mens klampt zich – in tijdens van crisis hoe dan ook – steeds toch ook hieraan vast.
Wereld van de energie-materie, oppervlakkigheden, tegenstellingen en veelheid
Deze tegenstelling in de aard waarop mensen elkaar tegemoet kunnen treden, is typisch de tegenstelling die zich in ieder opzicht in de wereld vertoont. Het is dezelfde tegenstelling als die tussen lichaam en Ziel, dood en Leven, onrecht en recht, etc. etc. en steeds zijn wij als mens ook in dit opzicht geneigd te pretenderen het antwoord te weten en te kunnen kiezen tussen één van de beide tegenstellingen. Dat is schijn, want het lijkt iets te zijn vanuit de beeldvorming en wereld van de waarnemende mens. Het zegt helemaal niets of iets is of niet is.
Wat zou de mens zeggen indien de mens de keus werd gelaten tussen lichaam en Ziel? Dan zou deze mens geen raad weten, want een lichaam zonder Ziel is niets en een Ziel zonder lichaam is op deze wereld met dagelijks bestaan niets. Juist daarom wordt inderdaad aan de mens steeds de aanwezigheid van beide polen getoond, de tweeheid (2) en moet de mens een Eenheid (1) maken tussen beide, zoals deze mens ook een Eenheid als mens is, een Eenheid tussen lichaam en Ziel, tussen dood en leven, tussen kwaad en goed, etc. etc.
Als iemand in moeilijkheden verkeerd moet de mens het dus vooral niet laten bij een bemoedigend woord, een tikje op de schouder of een belofte om aan deze mens te denken, want dan zou de mens die persoon eigenlijk zijn basis op deze wereld ontnemen. De mens zou pretenderen leven te willen geven zonder een lichaam.
Verbinding materiële daad met het Goddelijke
Toen God de mens maakte, maakte Hij eerst een lichaam en gaf daarin zijn Adem, de Ziel. Als de mens daarom een ander mens helpt met een materiële daad, dan is die hulp, indien het bij die materiële daad blijft, als een lichaam zonder Ziel en heeft de mens eigenlijk zijn werk niet alleen onvoltooid gelaten. Echter bovendien heft het zelfs een gevaarlijk iets geschapen, namelijk een lichaam dat juist het Goddelijke mist. Daarom behoort bij iedere hulp steeds de materiële daad vooraf te gaan, zoals God ook als eerste het lichaam maakte doch deze materiële daad moet direct en gelijktijdig voor de mens bezield worden door de aard, het karakter van de persoon, die de hulp biedt. Dan ontstaat er een Eenheid, een nieuwe Schepping.
De mens heeft dan het lichamelijke met het Goddelijke verbonden, een cirkel is gesloten en daarmee is alles bevrijd. Dit moet de mens steeds in navolging van God doen. Al het andere, bijvoorbeeld de keus tussen de twee manieren van helpen of het verdelen van de hulp over twee of meer personen, is een onding. Het is materiële hulp zonder enige Goddelijke of Geestelijke grondslag en leidt tot niets.
Lege woorden en valse beloften
Tegenwoordig zijn er vaak “Geestelijken”, die menen te kunnen volstaan met op hun speciale gebied een vorm van “Geestelijke bijstand” te verlenen en te zeggen : “De gezondheid, die je nodig hebt, zal de dokter je geven. Ik zal God bidden dat het zegenrijk is. Over moeilijkheden in je zaak zal je met een sociale afdeling moeten spreken en ik zal je met mijn gebed steunen”. Dit brengt halve wezens tevoorschijn. Iemand, die helpt, moet zelf helemaal kunnen helpen en een Geestelijke, die eventueel zijn hele werk tijdelijk in de steek laat om op sjouw te gaan voor iemand, die geholpen moet worden, is een Ware Geestelijke, omdat deze mens werkelijk in navolging van God handelt.
Het is werkelijk heel gemakkelijk en goedkoop om bemoedigende woorden te spreken. De mens voelt zelf heel vaak, dat die woorden een hol iets zijn, zonder inhoud, zoals een Ziel hier op aarde spookachtig zou rondzweven als er geen lichaam was, dat bezield moest worden. Het zelfde geldt voor eventuele toezeggingen die gezegd worden als een vorm van verplichting en uiteindelijk woorden blijken te zijn die hol zijn en vals. Het vertrouwen van deze mensen is geschaad en het handelen van deze mensen kan als onbetrouwbaar worden ervaren door andere mensen.
De verslagenheid van mensen moet een mens hebben meegemaakt, die kwamen vertellen, dat zij bij hun Geestelijke met hun moeilijkheden waren, in een mooi huis werden binnengelaten waar de mens werd verzwolgen door uiterlijk vertoon, keurig netjes werd ontvangen, wegzakte in de dikke tapijten, zijn moeilijkheden naar voren kon brengen en dan een lange preek kon aanhoren over het onbelangrijke van dit leven, het stof der aarde, een bemoedigende handdruk kreeg en zelfs werd door die Geestelijke toegezegd, dat hij deze bewuste persoon speciaal in zijn Gebed zou gedenken. Als de Geestelijke niet in staat is om te leven wat wordt besproken, dan kweekt deze mens alleen maar spoken, illusies en drogredenen, die het voor deze mens zelf uiteindelijk toch het meest lastig zullen maken daar de gevolgen altijd op de mens die het veroorzaakte terug staat.
Daar tegenover is de zuiver materiële hulp aan de andere kant mensonwaardig. De mens voelt zich dan tot een machinaal iets vernederd, iets, dat dus inderdaad als lichaam, als organisme wordt beschouwd en niet als iets, dat ook op het Goddelijke plan kan staan.
Doel van de mens om via de daad in tweeheid tot Eenheid te komen
Juist dit Eén-maken in iedere daad tegenover andere mensen, waarbij dus iedere daad zowel lichamelijk – als Ziele-kant tot Eenheid (1) wordt gebracht. Dit is juist hetgeen waarvoor de Mensheid nu op aarde is gekomen. Want daarmee wordt het lichaam en al het materiële bevrijd in navolging van hetgeen God al bij de Schepping had gedaan, namelijk het dode lichaam bezielen met zijn Adem. Om die Reden was de mens gemaakt in het evenbeeld van God en naar Zijn gelijkenis om ook in al zijn doen en laten dit evenbeeld, deze gelijkenis na te streven. In elke incarnatie daalt de Godsvonk af, wordt een Ziel met daarin een Gedachtenrichter die de mens tijdens en na de incarnatie leidt.
Het woord “evenbeeld” (Tselem) heeft tot stam Tsel en dit betekent “schaduw”. Dit wil zeggen dat de mens tegenover God staat als schaduw tegenover het ding zelf. Natuurlijk kan de mens aan vorm en beweging van de schaduw concluderen tot het ding zelf, echter de schaduw mist het belangrijke. Een schaduw heeft geen begrip, geen hart, en toch is het iets, waaruit kan worden vertaald naar het ding zelf. Zo zijn ook de daden van de mens schaduwdaden tegenover de daden van God. Niettemin moeten deze daden dus zo zijn, dat uit de daden van de mens Gods daden gelezen kunnen worden. Juist als de mens de mensen en andere dingen in de wereld met zulke daden tegemoet treedt, maakt de mens het hen mogelijk, zelf Gods Liefde, Oprechtheid en Barmhartigheid te willen leren kennen.
De mens als meest geraffineerd en gespecialiseerd dier, het verst uitgedijd in de Schepping, heeft het allereerste begin, namelijk de Goddelijke Ziel, in zich gekregen en daarmee is de cirkel gesloten, daarmee is het begin aan het eind vastgekoppeld : de Alfa en de Omega. Zo moet elke daad van ons mensen zijn. Juist het uiterst materiële moet worden vastgekoppeld aan het allereerste begin, aan het Goddelijke.
Zin van het Leven
Dit geld voor alle andere tegenstellingen natuurlijk evenzo. Dood en Leven moeten niet in tweeheid (2) blijven, echter aan elkaar worden verbonden, waardoor de dood bezield kan worden en weer Leven wordt, een ander soort leven dan datgene, dat de mens kent als pure tegenstelling tegenover de dood.
Ook het recht zal dan een ander recht worden, als de mens het onrecht tot recht gemaakt hebben en het onrecht bezield hebben, dus alles een nieuw soort Eenheid, het Ware Recht is geworden is. Een recht, dat niet beweegt zoals het wereldse recht, echter dat geheel door Liefde, Oprechtheid en Barmhartigheid wordt gedragen. Steeds moet dus onze positie als tweede, waarin wij als mens alles als tweeheid of dualiteit zien, in het oog gehouden worden en moeten wij mensen vermijden onszelf op de troon te zetten alsof deze wereld van materiële dingen al een Eenheid is. God zit op de troon en het is aan de mens de weg te hervinden om recht tegen over als evenbeeld van God te komen zitten. Tegenover de Gedachtenrichter zittend als Godgelijk, als Goddelijk.
Zodra de mens beseft, dat alles, wat zo de mens tegemoet treedt nog tweeheid, nog breuk is, dan zal juist de wil in de mens komen deze tweeheid te helen, dus gezond en tot Eénheid te maken. Dat is nou net de Zin van het Leven en Zin in God hebben.